
Sylvia Dornseiffer werd als directeur van het AFK en als voormalig directeur van het Fonds voor de Letteren gevraagd een toespraak te houden ter gelegenheid van de onthulling van het borstbeeld van de schrijfster Hella Haasse. Lees haar herinneringen aan Hella Haasse en hoe de stad Amsterdam een groot schrijfster vergat te huldigen. De stad kan het volgens Sylvia Dornseiffer nog goedmaken door het plein voor de OBA naar Hella Haasse te noemen.
Beste familie, vrienden en lezers van Hella Haasse,
Als ik kijk naar het borstbeeld van Hella Haasse van beeldend kunstenaar Ellen Wolff dan moet ik ( vooral door de actualiteit natuurlijk ) denken aan het gedenkwaardige interview dat Hella de Majesteit ter gelegenheid van haar 50e verjaardag in 1988 afnam. Waarom is dat? Natuurlijk omdat we nu op het punt staan om een borstbeeld te onthullen; het genre bij uitstek dat de Majesteit graag beoefent. Maar ook, en vooral, omdat het bewuste interview haarfijn de essentie van Hella’s kracht blootlegt, namelijk haar empathisch vermogen. Dat klinkt misschien wat ‘soft’, maar wat ik bedoel is dat zij heel goed de mens Beatrix wist te portretteren. Niet de Majesteit, maar de mens, de moeder, de beeldhouwster, de vrouw achter de facade, achter het kapsel, zo u wilt. Niet voor niets zei Beatrix dat zij zo ingenomen was met het interview omdat Hella Haasse, als enige in staat was geweest om haar als mens te treffen. Hella gaf Queen B ‘een gezicht’. En heeft zo, wellicht onbedoeld, een brugfunctie gehad tussen ‘volk’ en koningin. Beatrix had grote waardering voor het interview ( en voor Hella Haasse) . Bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren in 2004 zei ze :
“U hebt mij enorm geholpen mijn gedachten te verwoorden in een vorm die voor het publiek interessant zou kunnen zijn.”
Ik vind dat mooi. Het schetst naar mijn gevoel heel goed hoe Hella’s schrijverschap staat voor toegankelijkheid, humaniteit en verdraagzaamheid en waarom het zoveel lezers in Nederland en daarbuiten heeft weten te raken.
Ook mooi is natuurlijk de wetenschap dat Hella principieel de ridderordes van het huis van Oranje weigerde, maar wel in 1992 de eremedaille in Goud voor Kunst en Wetenschap in de huisorde van Oranje aanvaardde. Dat zegt iets over de vrouw Hella Haasse.

Als ik kijk naar de beeltenis van Hella, die trouwens zeer goed is geslaagd, dan denk ik ook met ergernis aan het falen van de stad Amsterdam. Nu weet ik dat het Hella niet zo veel uitmaakte, maar als directeur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst moet ik met spijt constateren dat prestigieuze literaire prijzen van de stad Amsterdam zoals De Multatuliprijs en de Busken Huetprijs nooit aan een werk van Hella Haasse zijn toegekend. Zelf heeft zij tot twee keer toe in de jury gezeten van de Multatuliprijs, toen de grote prozaprijs van de stad Amsterdam. Hoe bestaat het dat zij die niet zelf heeft gekregen voor bijvoorbeeld De Heren van de thee uit 1992 of de Busken Huet prijs voor de bundeling essays Het dieptelood der herinnering uit 2002?
Hoe bestaat het dat een schrijfster die als jonge vrouw uit de Nederlands –Indië in Amsterdam ging wonen, studeren, aan het toneel en cabaret ging, in Amsterdam debuteerde in 1948 met een opvallend politiek getint boek en zich ontwikkelde tot een schrijfster van nationaal en internationaal formaat niet een eredoctoraat van de universiteit van Amsterdam ontving. Wél van de universiteiten van Utrecht en van Leuven, maar niet van de Universiteit van sw gemeente Amsterdam of de Vrije Universiteit. Hoe kan dat?
Hella was een Amsterdamse vanaf haar 18e jaar. Amsterdam speelt altijd wel een rol in haar werk. Amsterdam met zijn boekenbal en boekenweekgeschenk dat Hella maar liefst drie keer mocht schrijven, was een puur Amsterdamse aangelegenheid. Hella schreef menig loflied, het laatste bij de opening van deze mooie bibliotheek Ode aan de OBA. Hella was een boegbeeld en ambassadeur voor de stad, voor de literatuur, voor de Nederlandse tolerantie die toentertijd gerust gezien kon worden als een exportartikel van formaat. Ze kreeg er eretekens voor van het Franse legioen van Eer, maar niet van de stad Amsterdam.
Ze hield van Amsterdam. Vanwege de benoeming van haar man tot rechter aan de Haagse arrondissementsrechtbank verhuisde ze met haar gezin in 1967 naar Den Haag. Ze schreef in Persoonsbewijs uit hetzelfde jaar:
“De dag van onze verhuizing komt dichterbij. Wat ik in mijn jeugd zonder pijn of moeite, soms tweemaal in één jaar, meemaakte: het “overgeplaatst worden, van Batavia naar Buitenzorg, van Rotterdam naar Soerabaja, van Heemstede of Baarn naar Bandoeng en weer naar Batavia , … dat onderga ik nu, na een ononderbroken verblijf van ruim 20 jaar in Amsterdam, als een cesuur in mijn leven. Hier hebben wij gewerkt en geleefd als volwassenen, hier zijn onze kinderen opgegroeid’.
Niet een literaire prijs, niet een ereteken van de stad Amsterdam ging er af. Ook niet toen ze na een jarenlang verblijf in Frankrijk terugkeerde naar de stad en in onze stad 80 en 90 jaar werd. Zeker weten doe ik het natuurlijk niet, misschien dat zij een eremedaille heeft geweigerd.
Wél plantte haar uitgeverij Querido in samenwerking met Stadsdeel Zuid ( die over het Vondelpark gaat) ter gelegenheid van haar 90e verjaardag een kastanjeboom in het Vondelpark. Vanuit het raam van haar appartement aan het park kon Hella naar de boom kijken.
Wat de pijn een beetje wegneemt is dat voor haar jubileum in 2008 een uniek digitaal Hella Haasse museum hier in de bibliotheek de lucht in ging die binnen een paar maanden door meer dan 50.000 mensen werd bezocht. En in opdracht (gelukkig maar) van het Amsterdams Fonds voor de Kunst schreef zij in 1987 het essay Kwaliteit, een verkenning.
Een essay dat in de discussies over kwaliteit van de kunst in de jaren 80 en 90 van grote betekenis is geweest. Ik vind het fantastisch dat dit essay is opgenomen in de bundel Inkijk uit 2011 ( samengesteld door Haasselogen par excellence Patricia de Groot en Margot Dijkgraaf); de bundel waarin zij zo gul schrijft over haar bewondering voor het werk van andere auteurs. Gedreven als zij was om kennis te delen.
“Opdat (en ik citeer nu de laatste zin uit het essay Kwaliteit) de wereld niet zal bestaan uit een steeds kleiner wordende minderheid van specialisten, en een steeds groeiende massa die niet kan meedenken, lijkt het van het hoogste belang dat de cultuur, alle cultuur, beschikbaar en bereikbaar blijft, en dat het overzicht van de ontwikkeling van de beschaving en van hun onderlinge samenhang als een van de prioriteiten in het onderwijs wordt beschouwd”.
Over deze wijze woorden straks meer.
Na de actualiteit en de ergernis neem ik u graag mee naar mijn persoonlijke ontmoetingen met Hella Haasse.
Natuurlijk las ik op de middelbare school Oeroeg. Tijdens mijn studie Nederlands in de jaren 70 in Groningen kwam ik het werk van Hella summier tegen in de ‘Knuvelder’en werd haar schrijverschap minnetjes en zuur geschetst in De Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys. Niet bepaald een aansporing. Maar de Indische letterkunde had mijn speciale aandacht vanwege een schrijvende voorvader in Indië en dan kom je vanzelf bij het werk van Hella S. Haasse uit. Ik ga me hier in dit gezelschap met ongetwijfeld veel Haasselogen niet te buiten aan beschouwingen over haar indrukkende oeuvre.
Ik denk dat ik een van de eerste leden ben van de Werkgroep Indische Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, na Hella Haasse natuurlijk. Indische meisjes, Hella geboren in Batavia, ik in Jakarta. Dat schiep een band. Hella was een prominent lid, altijd belangstellend en als het even kon aanwezig bij de lezingen en symposia en de jaarlijkse ledendag op Bronbeek. In 2009, in het jaar dat Oeroeg door heel Nederland werd gelezen, hadden we haar ook graag in Arnhem in ons midden willen ontvangen als eregaste, maar zij kon het niet meer opbrengen. Telefoontjes van Peter van Zonneveld, en van mij, hielpen niet, hoe graag zij ook wilde, want temidden van de Werkgroep kon zij het Indische meisje zijn dat zij was.

Mijn laatste ontmoeting met Hella was in Carré bij de afsluiting van de succesvolle Nederland leest campagne op 20 november 2009.
In een Tjokvol Carré reageerde zij aan het einde van het programma geëmotioneerd op de kritiek van Tjalie Robinson, de Indische schrijver en journalist die Oeroeg in 1948 subiet naar de prullebak verwees vanwege de onwaarheden; de schrijfster was immers niet Indisch. Zij toonde begrip voor zijn standpunt, maar vond dat toentertijd iemand uit de Indo –Europese gemeenschap dan maar een eigen verhaal had moeten schrijven. De emotie was zo voelbaar omdat zij daarmee nogmaals rekenschap aflegde en nogmaals moest toegeven dat, hoe zeer zij zich ook Indisch voelde, de band met Indië berustte op een tijd die er niet meer was, op een land dat er niet meer was. Dat verlangen naar het onbereikbare en tegelijkertijd die drang om alles van het land Indonesië te weten en de complexheid te doorgronden, dat was wat mij toen, die middag, sterk verbond met Hella.
Bij mijn afscheid als directeur van het Fonds voor de Letteren in 2008 hier in het Theater van het woord, werd ik door de collega’s van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingen Fonds verrast met de tot dan verschenen prachtig gebonden delen uit het oeuvre van Hella.
Een mooi en passend cadeau omdat Hella Haasse als meest vertaalde auteur de belangrijkste ambassadeur van de Nederlandse literatuur in het buitenland is. Maar voor mij persoonlijk ook passend omdat zij nog voor de oprichting van het Fonds voor de Letteren als lid van de Vereniging van Letterkundigen ijverde voor de oprichting van een fonds dat schrijvers in staat stelde ” tijd te krijgen om te schrijven’.
Met de strijdleus “Geld is tijd” werd het Fonds voor de Letteren bij de overheid afgedwongen o.a. door het Boekenbal te boycotten. Met actievoerders van het eerste uur Garmt Stuiveling, Joop Klant en later Rienk Visser en H.A. Gomperts nam Hella van 1965 tot 1970 zitting in het eerste bestuur van het Fonds.
Het bleef niet bij besturen. Toen ik in 1985 als kersverse directeur de geschiedenis van het Fonds indook, ontdekte ik folders ( we zouden ze nu flyers noemen) met reclame-achtige teksten die opriepen te doneren voor het goede doel: schrijvers in staat te stellen te schrijven. Particulieren en bedrijven werden opgeroepen om een bedrag te storten. De tekstschrijvers waren … Dimitri Frenkel Frank én Hella S. Haasse.
Een andere aangename verrassing voor mij was dat Hella zitting had in de bezwaarcommissie van het fonds en directeur en bestuur adviseerde hoe om te gaan met bezwaren van schrijvers tegen negatieve besluiten.
Zij nam iedere protesterende schrijver of vertaler voor zich in door haar oprechte interesse en vond het voordurend sleutelen om betere oplossingen te vinden en het voortdurend aanbrengen van correcties een goed democratisch proces.
Haar actiebereidheid liet zij ook zien en horen toen zij de P.C. Hooftprijs in 1984 in ontvangst nam. In haar dankwoord pleitte Haasse er bij de minister voor niet verder te bezuinigen op cultuur. En dat deed zij in bewoordingen waar zelfs Halbe Zijlstra voor zou moeten zwichten en waar Jet Bussemakers hart sneller van gaat kloppen. Luistert u maar:
“Ik hoop dat u een zeer grote plaats wilt inruimen voor al wat te maken heeft met de ontplooiing van schrijvers; met de bevordering van uitgaven, en van de bestudering en het onder de algemene aandacht brengen van literair werk; met de vorming van creatieve lezers – en die vorming begint vroeg in een land waar cultuur au sérieux genomen wordt. In deze zin is dat het werk van bezielde en bezielende leraren- en die zijn hun gewicht in goud waard”.
In 1986, ter gelegenheid van het 21- jarig bestaan van het Fonds voor de Letteren, ( onder het motto ‘Eindelijk volwassen’) kon ik ook een beroep doen op Hella. Zij kwam daar speciaal voor over uit Frankrijk om op een symposium in het Letterkundig Museum in aanwezigheid van de minister een vlammend betoog te houden over de waarde van lezers, de liefhebbers van literatuur, de ware amateurs die van onschatbare waarde zijn voor de literatuur.
“Een literaire cultuur, zo besloot zij, is ondenkbaar zonder taalbeheersing en verbeeldingskracht. Kosten noch moeite … moeten gespaard worden om dit voor zoveel mogelijk mensen bereikbaar te maken. En ik denk dat dit het beste is dat de overheid, naast bestaande voorzieningen zoals het Fonds voor de Letteren, voor de literatuur zou kunnen doen, namelijk het krachtig bevorderen van taalbeheersing en algemene culturele ontwikkeling in het onderwijs”.
Wat een vrouw, wat een schrijfster!
Wat mist Nederland Hella Haasse!
Sylvia Dornseiffer
2 februari 2013 OBA ter gelegenheid van de onthulling van het borstbeeld van Hella Haasse in de Hella Haassezaal.
