het instituut

BFNA
Aangevraagd: € 80.000
Toegekend: € 0
Toegekend ’13-’16: n.v.t.

Inleiding

Sinds 1995 brengt stichting Het Instituut kunstenaars en vormgevers, filosofen en dichters samen, om hun artistieke kwaliteiten in te zetten voor maatschappelijke of cultureel ruimtelijke vraagstukken. De ambitie is om de kennis over de samenleving terug te brengen naar de domeinen waarin kunst deze kennis geproduceerd heeft, door de wezenlijke eigenschappen van het kunstenaarschap te integreren in een proces en over te dragen aan anderen. Het streven is, met Amsterdam als basis, om met projecten verbindingen te leggen tussen verschillende doelgroepen met verschillende achtergronden.

In de afgelopen twintig jaar zijn drieëntwintig projecten ontwikkeld op eigen initiatief en in opdracht van overheden, het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties. Op alle vlakken van de culturele keten (talentontwikkeling, kennisdeling, kennisoverdracht en publieksbereik) streeft Het Instituut ernaar de resultaten en de impact van de projecten te delen met zowel de makers en partners als een breed publiek. Na twintig jaar wil Het Instituut voor de komende periode een kleine kernorganisatie formeren, die zorg draagt voor continuïteit en verdieping en de mogelijkheid om de opgedane kennis breder inzetbaar te maken, binnen meer domeinen en met meer partners.

Voor de komende jaren worden de verschillende projecten verder ontwikkeld, waaronder: `Het Instituut - School` voor jonge kunstenaars, ontwerpers en architecten, `Het Instituut - Kennisdeling` in samenwerking met de Akademie voor de Kunsten, KNAW en Waag Society, `Het Instituut - ONSbank` – met als voorbeeldproject een initiatief voor jongeren met problematische schulden, het project Form follows Mentality – ONSbank, een ruimtelijk vraagstuk in samenwerking met Architectuur Lokaal, Europlan en Archiprix, het project Zwerfjongeren in samenwerking met Stichting Zwerfjongeren Nederland, Smurfit Kappa en de Gemeente Amsterdam. Om samenwerking met derden in goede banen te leiden en de kunst op een goede manier in het proces in te brengen, heeft Het Instituut werkmodellen uitgedacht: het competitiemodel, het simultaanmodel, het estafettemodel en het recherchemodel. Deze modellen wil de organisatie de komende jaren verfijnen en verbeteren.

De meerjarige subsidie die aan het AFK wordt gevraagd bedraagt € 80.000 per jaar en is bedoeld voor het geheel van activiteiten.

Artistiek-inhoudelijke kwaliteit

De commissie beoordeelt de artistiek-inhoudelijke kwaliteit als voldoende. Het Instituut verbindt kunst aan maatschappelijke vraagstukken. De commissie staat positief tegenover inzet van artistieke expertise in andere domeinen dan de kunst. De diverse projecten stippen maatschappelijke onderwerpen en problemen aan die er momenteel zeer toe doen. De in het verleden betrokken kunstenaars en de kunstenaars, waar de organisatie in de toekomst mee wil werken, vindt de commissie in de regel van goed niveau. Hetzelfde geldt voor de advisory circle, waarin capabele personen met passende expertise zitting hebben. Vakmanschap in de uitvoering is daarnaast geborgd, door de systematische toepassing van een aantal slimme werkmodellen.

De organisatie heeft een helder beschreven visie. De activiteiten komen daarnaast voort uit de positie die de organisatie in de sector inneemt. Het Instituut reageert op vragen van opdrachtgevers en neemt daarnaast zelf initiatief voor projecten. De inzet is kunstenaars verbinden met maatschappelijke onderwerpen, maar de onderwerpen binnen dat domein zijn in de ogen van de commissie artistiek-inhoudelijk gezien weinig samenhangend. Dit gebrek aan inhoudelijke samenhang is terug te zien in de projecten die de organisatie in het verleden deed, maar ook in de brede mix van activiteiten die voor de komende periode wordt voorgesteld.

Ten eerste zijn er de onderling wel samenhangende activiteiten ONSbank en Forms Follows Mentality, waarin wordt ingegaan op schulden. Ten tweede zijn er de School-activiteiten waarmee de organisatie kennisdeling, kennisoverdracht en talentontwikkeling van kunstenaars, ontwerpers en architecten beoogt te realiseren op basis van open-call voorstellen die de deelnemers zelf doen. Onduidelijk is welke onderwerpen binnen dat programma behandeld gaan worden. Ten derde is er het project Zwerfjongeren dat zich richt op de zoektocht naar alternatieve, betaalbare woon- en interieurvormen voor zwerfjongeren. Ten vierde wil de organisatie in samenwerking met het Vijfde Seizoen een traject organiseren, waarbinnen kunststudenten onderzoeken wat psychiatrie en kunst verbindt. Ten vijfde en als laatste zijn er vragen van opdrachtgevers waarmee Het Instituut aan de slag gaat. Er is in de ogen van de commissie dan ook meer sprake van losse projecten die de toepassing van een systematische methodiek binnen maatschappelijke onderwerpen delen dan van een artistiek-inhoudelijk samenhangende programmering.

De commissie twijfelt daarnaast aan de volgroeidheid en daarmee de relevantie van sommige onderdelen van de programmering. De huidige praktijk van de School-activiteiten is nog zeer kleinschalig, met slechts enkele deelnemers. De bijdrage die de activiteiten leveren aan de doelstelling om kennisdeling, kennisoverdracht en talentontwikkeling bij kunstenaars, ontwerpers en architecten te stimuleren, is daarmee vooralsnog beperkt. Verder is volgens de aanvraag het doel ONSbank door te laten groeien tot een eigen initiatief met een eigen bestuursvorm. Welke bestuursvorm dit moet worden, wordt op dit moment nog onderzocht. Dit lijkt ertoe te leiden dat de activiteiten zullen worden opgenomen in een afzonderlijke juridische entiteit, hetgeen zou betekenen dat een gedeelte van de voorgestelde programmering op termijn buiten het kader van de meerjarige subsidie van het AFK komt te liggen. Het is in het ondernemingsplan onduidelijk op welke termijn dit plaatsvindt.

De activiteiten van Het Instituut zijn naar mening van de commissie onderscheidend door de systematische focus op het proces en op de wijze waarop kunstenaars daarbinnen worden gepositioneerd: ze worden niet uitgenodigd om een kunstwerk te maken, maar om wezenlijk deel te nemen aan de aanpak van maatschappelijke onderwerpen. Op het gebied van bemiddeling tussen kunstenaar en opdrachtgever concurreert de organisatie, zoals deze zelf ook constateert in de aanvraag, met andere instellingen binnen en buiten Amsterdam. De zeggingskracht is, afgaande op de gerealiseerde projecten en de lijst met opdrachtgevers, groot voor de opdrachtgevers, maar vooralsnog minder voor een breder publiek.

Zakelijke kwaliteit

De commissie beoordeelt de zakelijke kwaliteit als voldoende. De begroting ziet er realistisch en haalbaar uit. Wel merkt de commissie op dat de afhankelijkheid van subsidie toeneemt; de subsidie van het AFK bedraagt in de komende periode net iets minder dan de helft van de begrote inkomsten, waar subsidie in de periode 2013-1016 een aanzienlijk lager deel van de dekking vormde. De voorgenomen eigen inkomsten voor de jaren 2017-2020 dekken 38% van de begroting, waarmee ze ruim voldoen aan de AFK-norm hiervoor. In absolute zin dalen de eigen inkomsten de komende jaren echter ten opzichte van de realisatie in 2014 en 2015. Een verklaring hiervoor ontbreekt. De commissie vindt dat er een weinig ondernemende mix van inkomsten ontstaat, die voor een organisatie die veel in opdracht werkt niet realistisch is. De inkomsten uit opdrachten (€ 10.000 per jaar) maken maar een bescheiden onderdeel van het totaal aan beoogde baten uit. De commissie vindt dat, naast inhoudelijke samenwerking, de opdrachtgevers ook financieel gezien meer betrokken mogen en kunnen worden.

Risico's worden helder in zicht gebracht. Er wordt in het plan een risico-acceptatiegraad per project vastgesteld. Sinds de oprichting in 1995 is een kleine reserve opgebouwd, die tot nu toe voldoende groot was om als weerstandsvermogen te dienen. Voor de jaren 2017-2020 worden kleine positieve resultaten begroot teneinde deze toe te voegen aan de algemene reserve. Over de jaren  2014 en 2015 heeft de organisatie kleine negatieve exploitatieresultaten behaald. Een verklaring hiervoor ontbreekt in de aanvraag en bestuursverslagen. De reserve is niet ruim en gelet op de ontwikkeling van de reserve in het recente verleden is het onduidelijk of deze in de toekomst wel aangevuld kan worden. Het vermogen om risico’s op te vangen blijft daarmee een aandachtspunt.

Er is een raad van toezicht die volgens de Governance Code Cultuur is ingericht. Er is geen visie aanwezig op culturele diversiteit in toezicht en organisatie.

Publiek

De commissie beoordeelt het criterium publiek als voldoende. De organisatie laat in de plannen en in eerder gerealiseerde projecten een duidelijk streven zien om verbindingen te leggen tussen doelgroepen met verschillende culturele achtergronden. Dit komt tot uitdrukking in de locaties waar projecten plaats hebben, in de onderwerpen van sommige projecten, en via het netwerk van de interdisciplinaire partners en het opleidingsprogramma dat ook internationale aanmeldingen krijgt. Dit vindt de commissie positief.

De organisatie heeft een visie op haar publiek. Er wordt gestreefd naar het bekendmaken van de resultaten aan een zo breed mogelijk publiek. Doelgroepen worden benoemd. De participanten en opdrachtgevers zijn voor de stichting het voornaamste publiek. Dat in aantallen geen groot publiek is, constateert de aanvrager ook zelf. De commissie begrijpt dat de organisatie zich sterk verhoudt tot de wereld van de opdrachtgever. Tegelijkertijd is de commissie van mening dat het een gemis is dat het plan weinig inzicht geeft in de wijze waarop Het Instituut het bredere publiek in Amsterdam wil bereiken. De organisatie projecteert een groei in publieksaantallen over de komende periode, maar die groei wordt in de ogen van de commissie summier onderbouwd. Onduidelijk is aan welke activiteiten de aantallen gekoppeld zijn. Er wordt in de aanvraag vrij algemeen gesteld dat de aanpak per project wordt bepaald op basis van de samenwerkingen. Als voorbeelden voor presentatiemogelijkheden, wordt vooral gerefereerd aan activiteiten in het verleden die buiten Amsterdam plaatsvonden en het karakter hadden van terugkoppelen en informeren van het publiek. Een concrete uitwerking van marketingmiddelen per doelgroep ontbreekt. Verder is van een groot deel van de activiteiten op dit moment nog niet helemaal duidelijk waar ze precies plaats gaan vinden, binnen of buiten Amsterdam. Veel is nog in de fase van intentie. Het profiel van Het Instituut heeft, gezien de al gerealiseerde projecten, meer landelijke dan Amsterdamse uitstraling. Uit de aanvraag blijkt niet dat er op regelmatige basis publieksonderzoek uitgevoerd wordt of dat men dat van plan is te gaan doen.

Belang voor de stad: verbinding en spreiding

De commissie beoordeelt de verbinding als voldoende. De commissie vindt dat er een goede verbinding met maatschappelijke organisaties en bewoners is. Ook is er sprake van samenwerkingen met culturele instellingen in de stad, maar hier lijkt het vooralsnog niet om structurele samenwerkingen te gaan. Wel zijn er intenties. De commissie beoordeelt de spreiding als voldoende. Het zwaartepunt van de activiteiten ligt in het centrum. Daarnaast vinden er activiteiten in stadsdelen Zuidoost en Nieuw-West plaats. De commissie vindt het, op basis van de plannen en de vanuit de opdrachtgever gedreven werkwijze van Het Instituut, moeilijk om in te schatten wat het realisme van de beoogde spreiding is.

Na toepassing van de vier hoofdcriteria, zijn op de aanvraag van Het Instituut ook de aanvullende criteria toegepast. De aanvullende criteria worden toegepast wanneer aanvragen gelijk eindigen en het budget ontoereikend is om al deze aanvragen te honoreren.

Aanvullend criterium Bijdrage aan veelzijdigheid

De bijdrage aan de veelzijdigheid van het Amsterdamse cultuuraanbod beoordeelt de commissie als voldoende. De commissie constateert dat er naast Het Instituut veel andere organisaties in de Amsterdamse basisinfrastructuur zijn, dan wel die in beginsel voor honorering van hun aanvraag bij het AFK in aanmerking komen, die zich bezighouden met beeldende kunst. De commissie vindt echter dat de organisatie zich hierbinnen onderscheidt, door de systematische focus op het proces en op hoe kunstenaars daarbinnen worden gepositioneerd. Kunstenaars worden niet uitgenodigd om een kunstwerk te maken, maar om wezenlijk deel te nemen aan de aanpak van maatschappelijke onderwerpen.

Aanvullend criterium Bijdrage aan evenwicht en samenhang in de keten:

De bijdrage aan het evenwicht en de samenhang in de culturele ‘keten’ beoordeelt de commissie als zwak. De commissie constateert dat er naast Het Instituut veel andere ontwikkelorganisaties in de Amsterdamse basisinfrastructuur zijn dan wel die in beginsel voor honorering van hun aanvraag bij het AFK in aanmerking komen. De commissie ziet wel dat de organisatie ook nog andere functies in de keten vervult dan die van ontwikkelinstelling, maar de commissie is, zoals eerder gezegd, nog onvoldoende overtuigd van de relevantie van deze onderdelen vanwege de bescheiden schaal.

Conclusie

Op grond van bovenstaande overwegingen adviseert de commissie de aanvraag van stichting Het Instituut te honoreren voor zover het budget dit toelaat. De commissie adviseert het AFK om in dat geval maximaal € 40.000,- per jaar bij te dragen. Dit omdat de commissie van mening is dat er meer verdienvermogen aanwezig dient te zijn, aangezien de organisatie veel in opdracht werkt. Verder is van een gedeelte van de activiteiten onduidelijk of ze in Amsterdam plaats gaan vinden.