Stichting JAM

Cultuureducatie
Aangevraagd: € 110.000
Toegekend: € 0
Toegekend 2013-2016: € 0

Inleiding

Het doel van Stichting JAM is om voor alle leeftijden cultuurparticipatie te bevorderen, en activiteiten op het terrein van kunst en cultuur te initiëren, organiseren, stimuleren en coördineren. Eind jaren veertig van de vorige eeuw werd de afdeling Amsterdam van Vereniging Jeugd en Muziek Nederland opgericht. Dertig jaar later werd die op verzoek van de Gemeente Amsterdam omgezet in een stichting ter ondersteuning van de stadsdelen om Kunst in de Wijken te organiseren. Tot op heden organiseert Stichting JAM verschillende projecten voor het primair en voortgezet onderwijs, waaronder de Kunstschooldag[en]. In dit Amsterdamse evenement bezoeken meer dan vijfduizend basisschoolleerlingen uit groep acht, en hun duizend begeleiders, een kunstaanbod in diverse kunstdisciplines van ruim 35 Amsterdamse Kunstinstellingen. Daarnaast organiseert JAM projecten voor peuters en senioren.

Met de Kunstschooldag[en] wil de organisatie de wereld van kunst en cultuur kenbaar maken aan de Amsterdamse jeugd en met een inspirerende ervaring bijdragen aan hun educatieve ontwikkeling en – waar dit van toepassing is – hun integratie. Zo beoogt Stichting JAM hen wegwijs en keuzevaardig te maken in het rijke kunst-, cultuur- en talentontwikkelingsaanbod van Amsterdam. In de loop der jaren heeft het evenement een vaste plaats ingenomen in het curriculum van veel scholen; 80% van de scholen neemt eraan deel. Hiermee bereikt de organisatie een representatieve afspiegeling van de Amsterdamse bevolking.

De komende kunstenplanperiode wil Stichting JAM de Kunstschooldag[en] verankeren in het Amsterdamse cultuureducatiebeleid. Hiermee stelt de stichting aan te sluiten bij het in dit beleid als een van de prioriteiten gestelde kunstinstellingenbezoek. Door de in 2013 ingestelde verdeling van het programma over twee dagen, wil de organisatie het bereik mee laten groeien met het aantal leerlingen in het basisonderwijs. Daarnaast is er de ambitie om met een flexibele instelling in te spelen op de actuele ontwikkelingen in de stad, met partners in het Amsterdamse culturele veld.

Stichting JAM vraagt voor de periode 2017-2020 aan het AFK in het kader van het Kunstenplan een jaarlijkse bijdrage van € 110.000.

Artistiek-inhoudelijke kwaliteit

De commissie beoordeelt de artistiek-inhoudelijke kwaliteit als zwak. De Kunstschooldag[en] voorzien in receptieve kunsteducatie, iets wat voor het onderwijs in Amsterdam niet centraal wordt geregeld of wordt georganiseerd door andere partijen. In dit opzicht is het aanbod onderscheidend. Zowel de artistiek-inhoudelijke als de cultuureducatieve visie worden in het plan echter summier en in algemene termen verwoord. Zo wordt er niet duidelijk onderbouwd hoe kunst naar mening van de organisatie bijdraagt ‘aan de educatieve ontwikkeling en integratie’ van de leerlingen. De opzet van het concept, waarin leerlingen van groep acht een kunstaanbod bezoeken, is op uitbreiding naar twee dagen na, de afgelopen jaren nauwelijks veranderd. In het plan ontbreekt een onderbouwing hiervoor, terwijl het een opmerkelijke keuze is. De commissie mist reflectie op de veranderende omgeving en de implicaties die dit kan hebben voor de manier van werken en het aanbod. Uit het plan spreekt geen ambitie voor doorontwikkeling of weerspiegeling van de actuele ontwikkelingen in het Amsterdamse onderwijsveld. De commissie mist bovendien een overtuigende artistieke onderbouwing van het geboden programma, en samenhang in de aangeboden activiteiten of inbedding ervan in een groter geheel. Het programma staat op zichzelf. Vanuit de gemeente Amsterdam wordt sinds 2013 – mede door de invoering van het Basispakket Kunst- en Cultuureducatie – juist meer structureel cultuuronderwijs gestimuleerd, met aandacht voor doorlopende leerlijnen. De Kunstschooldag[en] biedt een éénmalige activiteit, zonder een duurzame verbinding te leggen met cultuurprogramma’s in school. De commissie ziet te weinig onderscheidend belang in een dag podiumbezoek voor de leerlingen ten opzichte van meer duurzaam aanbod. Het plan schetst daarbij geen visie die haar van het tegendeel overtuigt.

De brede programmering wordt met vakmanschap uitgevoerd en lijkt de leerlingen, getuige de reacties in het plan, aan te spreken. Het betreft uitsluitend aanbod voor groep acht, aan het einde van de basisschoolcarrière. Het plan gaat niet in op de waarde die receptieve kunst voor groep één tot en met zeven zou kunnen hebben. De commissie meent dat JAM zich in dit opzicht op een te beperkte doelgroep richt en hier kansen laat liggen. De commissie is daarentegen positief over het feit dat Stichting JAM zich extra richt op leerlingen die niet gewend zijn kunstinstellingen te bezoeken. De in het plan gestelde uitspraak, dat veel kinderen gedurende dit evenement voor het eerst een culturele instelling bezoeken, had de commissie graag met feiten onderbouwd gezien. De aandacht voor talentontwikkeling door samenwerking met Amsterdamse kunstvakopleidingen kan de commissie waarderen, maar gebaseerd op het plan lijkt ook deze zich te beperken tot een eenmalige kennismakingsdag. In het licht van de op cultuurparticipatie gerichte doelstelling van Stichting JAM, valt het de commissie op dat het participatieve element voor de leerlingen vrijwel ontbreekt of ondersteunend is aan het receptieve aanbod. Er is daarbij geen visie op of uitwerking van vervolgaanbod, of aansluiting bij lokale initiatieven in de buurt van geënthousiasmeerde scholen of leerlingen.

De Amsterdamse Kunstraad benoemde in haar advies voor JAM kunstschooldag[en] voor de periode 2013-2016 het feit dat de receptieve en eenmalige jaarlijkse activiteit voor kinderen in groep acht, die de Kunstschooldag[en] is, in deze periode minder noodzakelijk tot overbodig is. De reden hiervoor is de invoering van het Basispakket Kunst- en Cultuureducatie. De punten uit dit eerdere advies zijn niet opgepakt en er wordt in de huidige aanvraag niet op gereflecteerd.

Zakelijke kwaliteit

De commissie beoordeelt de zakelijke kwaliteit als zwak. In het plan ontbreekt een onderbouwing van of een toelichting op de begroting. De meerjarenbegroting 2017-2020 laat een significante daling zien in baten en lasten ten opzichte van de realisatie van 2013, 2014 en 2015. Dit is waarschijnlijk omdat in de bij de aanvraag geleverde gegevens over de periode 2013-2015, ook andere projecten naast de Kunstschooldag[en] opgenomen zijn. Hier wordt in de aanvraag geen toelichting op gegeven. Door het gebrek aan onderbouwing kan de commissie niet goed inschatten of de begroting realistisch is. Zo wordt er geen onderbouwing gegeven van bijvoorbeeld de gestegen lasten van de Kunstschooldag[en] vanaf 2017 ten opzichte van de editie van 2015. De omvang van de reserves en fondsen ten opzichte van de totale balans en de totale lasten is ultimo 2015 voldoende. De jaren 2014 en 2015 zijn echter met een negatief resultaat afgesloten.

De commissie vindt het een goede ontwikkeling dat er publieksinkomsten uit een bijdrage per deelnemer worden gegenereerd. De overige inkomsten worden niet gespecificeerd; de commissie leidt uit het plan af dat het hier om de opgetelde bijdragen van de culturele instellingen, diverse fondsen en sponsoren gaat. Deze worden niet allen bij naam genoemd. Evenmin wordt er een visie op de eventuele ontwikkeling van deze financieringsmix voor de periode 2017-2010 ten opzichte van 2016 geformuleerd. De Kunstschooldag[en] zijn een effectief marketinginstrument voor culturele instellingen in de stad. Gezien de omvang en traditie ervan en het belang voor de instellingen, vindt de commissie de inkomsten uit sponsoring en van culturele instellingen beperkt.

Sinds enige jaren volgt de stichting de Code Cultural Governance. De organisatie formuleert in het plan geen concrete visie en aanpak op de culturele diversiteit van het personeelsbestand en het toezicht.

Publiek

De commissie beoordeelt het criterium publiek als voldoende. De Kunstschooldag[en] bereiken jaarlijks zo’n 5000 deelnemers en 1000 begeleiders. De doelgroep is duidelijk; het betreft leerlingen in groep acht van het primair onderwijs, die via de scholen worden bereikt. Door deelname van scholen uit alle stadsdelen, bereikt de organisatie een cultureel divers publiek. Omdat het een eenmalige activiteit betreft, zonder activiteiten in de rest van het schooljaar, is er geen sprake van een duurzame opbouw van publiek. Vanuit het perspectief van de vele deelnemende scholen kan worden gesteld dat het een zich herhalende activiteit voor jaarlijks een nieuwe generatie groep acht is. In het plan wordt, behalve dat zij het publiek van de toekomst genoemd wordt, geen profiel geschetst van de doelgroep. Ook is geen visie of reflectie op publieksuitbreiding geformuleerd. Wel spreekt uit het aanvraagformulier een lichte groei, en de wens van de organisatie om in de pas te blijven met het groeiend leerlingenaantal in Amsterdam. Uit het plan blijkt niet dat uitbreiding van het aanbod voor een duurzamer bereik of verbreding met andere doelgroepen wordt onderzocht. Het bereiken van de leerlingen van groep acht gebeurt via de scholen. De basale marketingstrategie (het benaderen van scholen per mail, e-mail en telefoon) lijkt hetzelfde te blijven als de afgelopen editie. Het plan omschrijft geen duidelijke aanpak die een groei aannemelijk maakt. De commissie vindt het gegeven dat het aantal leerlingen in het primair onderwijs groeit, en dus ook het bereik van de Kunstschooldag[en], niet afdoende. Eens per vier jaar vindt er een enquête plaats onder de deelnemers. Uit het plan wordt niet duidelijk wat er met de resultaten gebeurt.

Belang voor de stad: verbinding en spreiding

De commissie beoordeelt de verbinding als goed. Er wordt samengewerkt met het primair- en kunstvakonderwijs en met een zeer groot deel van het culturele veld in Amsterdam; zowel met podia, gezelschappen als musea. Er wordt enigszins aansluiting gezocht met maatschappelijk thema’s door het evenement een hoofdthema te geven. De commissie waardeert het dat ook kleinere instellingen deel uitmaken van het programma, maar mist in het plan een gerichte aanpak om het meer wijkgebonden aanbod, dat zich de afgelopen jaren in Amsterdam ontwikkeld heeft, meer dan nu het geval is bij de programmering te betrekken.

De spreiding beoordeelt de commissie als zwak. Hoewel de kinderen uit alle stadsdelen komen, vindt het merendeel van de activiteiten en bezoeken plaats in de stadsdelen Centrum en Zuid.

Conclusie

Op grond van bovenstaande overwegingen, adviseert de commissie de aanvraag van Stichting JAM niet te honoreren.