Dadodans

Podiumkunsten & Letteren
Aangevraagd: € 56.037
Toegekend: € 46.000
Toegekend '17-'18: n.v.t.

Inleiding

Stichting Dado (Dadodans) is een jeugddansgezelschap onder artistieke leiding van choreograaf Gaia Gonnelli. Zij was van 2013 tot 2016 artist-in-residence bij Dansmakers Amsterdam en heeft zich verder ontwikkeld als onafhankelijke maker met een eigen gezelschap en een repertoire voor een jong (dans) publiek. Dadodans maakt voorstellingen voor de jeugd van twee tot acht jaar, waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van abstracte materialen, livemuziek en beweging. Naast de producties ontwikkelt het gezelschap workshops en educatief materiaal. Voor de verkoop van voorstellingen werkt zij samen met Frontaal Theaterbureau.

Dadodans zal in de periode 2019-2020 jaarlijks een nieuwe theaterproductie realiseren en herneemt een bestaande productie ten behoeve van vooral schoolvoorstellingen.

De ontwikkeldoelen van Dadodans liggen zowel op artistiek en zakelijk gebied als op het vlak van publieksbereik. Dadodans wil verdeeld over 2019 en 2020 een artistiek onderzoek uitvoeren dat gericht is op het ontwikkelen van nieuwe interactieve en participatieve strategieën, om aan de hand daarvan actieve publieksparticipatie te realiseren. Daarbij heeft Dadodans onder meer het voornemen om buiten het theater een aantal experimenten en testvoorstellingen uit te voeren. Op zakelijk gebied streeft Dadodans professionalisering na. Het is de bedoeling het projectteam om te vormen tot een structureel team, waarbij de directie met het team samenwerkt. Door processen te standaardiseren wil Dadodans efficiënter werken. Ook heeft zij de wens haar publiek te vergroten en verbreden. Daartoe wil de organisatie nieuwe publieksgroepen benoemen en een daaraan gekoppelde campagne uitzetten. Er wordt ingezet op een grotere zichtbaarheid en naamsbekendheid. Ook wil Dadodans jeugddans steviger profileren door nieuwe partnerschappen aan te gaan met culturele instellingen in de stad.
Omdat het jonge publiek Dadodans ontgroeit, is educatie een noodzakelijk onderdeel van haar communicatiestrategie om steeds een nieuw publiek aan zich te kunnen binden. Dadodans wil in de periode 2019-2020 voorbereidingen treffen voor de ontwikkeling van een educatiebeleid voor de periode 2021-2024.

Stichting Dado vraagt aan het AFK voor de periode 2019-2020 een bijdrage van gemiddeld
€ 56.036,50 per jaar, waarvan gemiddeld € 46.539 bestemd is voor ontwikkeling en € 9.497,50 voor de reguliere activiteiten.

Artistieke kwaliteit

De commissie beoordeelt de artistieke kwaliteit als voldoende.
Choreografe Gonnelli is een bekroond maker met ruime ervaring. Gonnelli werkt samen met een vast artistiek team onder andere bestaande uit componist en muzikant Wiebe Gotink en danseres en assistent-repetitor Katerina Dietzová. Daardoor bereikt het gezelschap een constante kwaliteit in het maakproces. Het feit dat Dadodans in 2016-2018 met een vormgever is gaan werken, heeft volgens de commissie een positieve invloed gehad op de enscenering. De commissie heeft veel waardering voor de voorstellingen. Dadodans kreeg in 2017 de Prijs voor Jong Publiek van de Nederlandse Dansdagen voor de voorstelling Papier. Dat alles toont volgens de commissie overtuigend aan dat Dadodans beschikt over algemeen gewaardeerd en erkend vakmanschap in het maken van dansvoorstellingen voor een jong publiek.

De commissie vindt dat de voorstellingen blijk geven van grote zeggingskracht voor de jonge doelgroep. De geestige combinatie van dans met objecten is speels, kleurrijk en toegankelijk. In de voorstellingen geeft Dadodans ruimte aan de eigen verbeelding van het jonge publiek, onder andere door het gebruik van relatief abstracte materialen zoals papier en een koker. Het jonge publiek wordt uitgenodigd om mee te doen en op die manier ook de eigen fysicaliteit te ontdekken. Ook de manier waarop dans wordt gecombineerd met muziek als een “personage”, het spel van de dansers, de kleding en de art direction getuigen in de ogen van de commissie van artistieke sensitiviteit voor hetgeen de doelgroep aanspreekt.

Dadodans merkte artistieke kwaliteit aan als ontwikkeldoel. Daarom wordt binnen dit criterium ook de kwaliteit van de ontwikkeling beoordeeld.
De beginsituatie van Dadodans acht de commissie helder beschreven: nadat Gonnelli een tijd onder de vleugels van Dansmakers heeft gewerkt, is ze met Dadodans een eigen organisatie gestart die zich in artistiek-inhoudelijke zin stapsgewijs aan het ontwikkelen is, tot een situatie waarbij de activiteiten van Dadodans inmiddels gedurende het hele jaar door lopen. Deze stappen naar steeds verdere verzelfstandiging vindt de commissie zorgvuldig en weloverwogen. Dadodans zet in de aanvraag de noodzaak voor de beoogde artistieke ontwikkeling dermate helder en overtuigend uiteen, dat de commissie deze onderschrijft. De organisatie wil in 2019 en 2020 een artistiek onderzoek doen en een aantal experimenten uitvoeren, met als doel nieuwe participatieve strategieën te ontwikkelen. Hiermee wil Dadodans ook een volwassen publiek aanspreken en mogelijkheden creëren om buiten het theatercircuit (op locatie) te spelen. Daarnaast geeft Dadodans goed weer waarom het ontwikkelen van educatiebeleid met lange leerlijnen van belang is voor de organisatie. Op deze manier kan zij de doelgroep ook binnen het onderwijs goed blijven bedienen.

Dadodans schetst twee einddoelen. Ten eerste benoemt Dadodans als ontwikkeldoel het verdiepen van de artistieke praktijk door middel van uitbreiding van participatieve strategieën. Dit acht de commissie als einddoel doordacht en haalbaar. Er ligt een duidelijke beschreven aanpak aan ten grondslag.

Het tweede einddoel is volgens de commissie echter niet realistisch en haalbaar. Dadodans wil dans in de openbare ruimte brengen. Het gezelschap wil locatievoorstellingen ontwikkelen in oude speeltuinen die ontworpen zijn door Aldo van Eyck. Daarin wil zij kinderen en volwassenen samen in beweging zetten. De commissie vindt dit ontwikkeldoel zeer abstract geformuleerd en niet overtuigend ingebed in de werkwijze van Dadodans. Het maken van locatievoorstellingen vergt een andere werkwijze dan die Dadodans momenteel toepast. Daar wordt in de aanvraag niet op gereflecteerd. Daarnaast blijft onduidelijk hoe deze locatievoorstellingen kunnen leiden tot de verwachte en gewenste participatie van volwassenen en kinderen.
Dadodans beschrijft duidelijk de instrumenten die het in wil zetten ten behoeve van artistieke ontwikkeling. De instrumenten ten behoeve van het eerste einddoel, de uitbreiding van participatieve strategieën, vindt de commissie realistisch en passend bij dit einddoel. De commissie vindt dat de instrumenten hiervoor sterk zijn opgebouwd: er worden werkbezoeken gedaan en interviews afgenomen met makers die ervaring hebben in het maken van participatievoorstellingen. De commissie vindt het echter niet bij alle genoemde makers evident wat Dadodans daar wil halen, omdat ze in een heel ander werkveld en voor een heel andere doelgroep werken. Uit het plan blijkt niet dat Dadodans goed heeft gekeken naar makers die beter bij het profiel van Dadodans passen. Op dat punt mist de commissie een uitgebreidere onderbouwing van de keuzes. Met de bevindingen vanuit deze instrumenten zet Dadodans het volgende instrument in: Gonnelli zal de studio ingaan om met de dansers samen participatieve strategieën te ontwikkelen. Als laatste instrument ten behoeve van dit einddoel benoemt Dadodans experimenten en testvoorstellingen op basis van de uitkomsten van het hele voorgaande traject, hetgeen gedegen overkomt.
Dadodans geeft in het plan aan dat de stappen ten behoeve van de artistieke ontwikkeldoelen de opmaat vormen voor uiteindelijk het ontwikkelen van een geheel interactieve voorstelling voor alle leeftijden in de kunstenplanperiode 2021-2024. De commissie mist onderbouwing hiervoor; het plan benoemt bijvoorbeeld niet wie de samenwerkingspartners voor de experimentele voorstellingen zullen zijn.

Het instrument ten behoeve van het einddoel dans in de openbare ruimte te brengen, middels experimentele locatievoorstellingen in speeltuinen, overtuigt de commissie niet. Dit komt door de hoge mate van abstractie waarmee dit wordt beschreven. Hoe de gewenste participatie daar tot stand zal worden gebracht, maakt de aanvraag niet duidelijk.
De commissie constateert dat de organisatie niet aangeeft hoe de vanuit de regeling verplichte inzet van een coach wordt benut om de einddoelen te bereiken.

Zakelijke kwaliteit

De commissie beoordeelt de zakelijke kwaliteit als voldoende.
De bedrijfsvoering is in de ogen van de commissie bescheiden, maar is met een lage overhead stabiel en weinig risicovol. Dadodans werkt met een klein team onder leiding van de directie. Een extern bureau verzorgt de boekingen. Dadodans heeft zich organisch ontwikkeld tot een zelfstandige organisatie die in staat is om projectmatig te werken. De commissie heeft er op basis van de informatie in de aanvraag vertrouwen in dat de bedrijfsvoering voldoende basis geeft om de voorgenomen programmering te realiseren en het beoogde publiek de komende twee jaar te bereiken.

Dadodans wordt gesteund en gecontroleerd door een bestuur dat past bij de organisatie. De Governance Code Cultuur wordt nageleefd.

De begroting is in de optiek van de commissie niet realistisch. Zij betwijfelt met name of de beoogde groei in de begroting haalbaar is. De verwachte eigen inkomsten lijken niet passend bij het voorgenomen activiteitenniveau. De mogelijkheden om de eigen inkomsten uit publieksbereik te verbeteren acht de commissie bijvoorbeeld beperkt, omdat het aantal voorstellingen de komende jaren stabiliseert.
De groei in lasten, die niet voortkomt uit een verhoogd activiteitenniveau maar uit de versterking van de organisatie, wordt vooral gedekt door de subsidieaanvraag bij het AFK. Dat leidt volgens de commissie tot een inkomstenmix die nogal eenzijdig is. De kosten voor de ontwikkeling van het artistiek onderzoek en de ontwikkelkosten op zakelijk vlak vindt de commissie bovendien niet in verhouding met de kosten van de reguliere activiteiten en de aard en omvang van de organisatie.

Dadodans merkt in de aanvraag de zakelijke kwaliteit aan als ontwikkeldoel. Daarom wordt binnen dit criterium ook de kwaliteit van de ontwikkeling beoordeeld.
De beginsituatie van Dadodans op zakelijk vlak is helder verwoord. Dadodans bestaat nu een paar jaar en wil haar positie zakelijk consolideren. Het gezelschap is vanuit een grassroots oorsprong doorgegroeid naar een organisatie met een vaste kern van medewerkers en meer aanbod. De commissie onderschrijft de noodzaak om de organisatie nu te bestendigen. Gezien de ambities van Dadodans is dat een logische en heldere ontwikkelrichting.

De zakelijke einddoelen om een structurele organisatie te vormen waarin de directie samenwerkt met het team en het standaardiseren van bureauprocessen acht de commissie beide realistisch en haalbaar gezien de stappen die Dadodans tot nu toe nam op dit gebied. Dadodans kiest onder andere steeds meer voor vastere afspraken binnen de organisatie en een werkwijze waarbij het perspectief verschuift van de korte naar de middellange termijn. De commissie ziet de motivatie om niet heel snel verder te willen groeien maar eerst aan stevigheid te willen winnen terug in een goede verdeling van aandachtspunten op zakelijk vlak.

Dadodans beschrijft een aantal instrumenten ten behoeve van de zakelijke ontwikkeling. Zo zet zij in op een fors aantal ontwikkeluren voor het eigen team. De commissie vindt de keuze voor ontwikkeluren als instrument weliswaar logisch, maar stelt vast dat de omvang van die inzet niet goed is onderbouwd. Ook vindt zij de kosten voor dit instrument hoog, zowel in verhouding tot de omvang van de organisatie als tot de omvang van de activiteiten die zij gepland heeft voor komende periode. Het standaardiseren van onder meer communicatielijnen, administratie, productie-archief en publiciteitsmateriaal is volgens de commissie een instrument waarvan een positief effect te verwachten valt en dat past bij het einddoel.
Dadodans wil ten behoeve van de zakelijke ontwikkeling een coach inzetten die gericht is op ontwikkeling van leiderschap. Deze coach is naar het oordeel van de commissie goed gekozen vanwege zijn kennis van het werkveld van jeugddans. De commissie vindt de vragen waarbij de coach moet ondersteunen duidelijk en relevant in relatie tot het einddoel. Ook is helder beschreven hoe de beoogde ontwikkeling met behulp van de coach moet gaan plaatsvinden.

Publieksbereik

De commissie beoordeelt het publieksbereik als voldoende.
Dadodans weet een publiek te bereiken dat naar het oordeel van de commissie past bij de programmering en de omvang van de organisatie. De voorstellingen voor de jonge doelgroep vergen een intiem karakter, dat een grens stelt aan de publieksaantallen per voorstelling.
De voorstellingen van Dadodans worden zowel in Amsterdam als in de rest van Nederland en daarbuiten uitgevoerd. Het valt de commissie op dat er naar verhouding weinig voorstellingen in Amsterdam plaatsvinden. Dat geldt ook voor de komende periode, terwijl de regeling bedoeld is om nieuwe instroom en doorstroom in de Amsterdamse kunst- en cultuursector te bevorderen. Het publiek van Dadodans heeft, gezien de jonge leeftijd, geen directe band met het gezelschap, het kiest er immers niet zelf voor bezoeker te zijn. Dadodans is zich hiervan bewust en ziet dat communiceren met bemiddelaars en programmeurs daarom extra van belang is. Omdat deze tussenpersonen behoefte hebben aan context, kiest Dadodans er bewust voor educatiebeleid in te zetten voor de publieksontwikkeling.

Dadodans geeft zelf aan dat het de organisatie nog ontbreekt aan een duidelijke en resultaatgerichte marketingaanpak om de verschillende doelgroepen – het jonge publiek enerzijds en de bemiddelaars en programmeurs anderzijds – te bereiken. Uit de aanvraag spreekt een zeker bewustzijn ten aanzien van de doelgroepen, maar Dadodans erkent dat het noodzakelijk is om dit nog verder te ontwikkelen. De commissie onderschrijft dit.

Dadodans merkt publieksbereik aan als ontwikkeldoel. Daarom wordt binnen dit criterium ook de kwaliteit van de ontwikkeling beoordeeld.
De beginsituatie wordt duidelijk beschreven: Dadodans heeft een jong publiek dat het gezelschap steeds weer ontgroeit. Daarom richt de aanvrager zich niet overwegend en direct tot de primaire doelgroep, maar tot scholen, ouders, tussenpersonen, programmeurs en bemiddelaars. Daarbij maakt Dadodans duidelijk dat publieksontwikkeling voor de organisatie sterk verweven is met een communicatiewijze richting doelgroepen die de artistieke inhoud en educatie centraal stelt. Zo beschouwd vindt de commissie het begrijpelijk dat de aanvraag wat betreft het publieksbereik niet zozeer gericht is op marketing maar vooral op inhoud.

Doordat het jonge publiek Dadodans ontgroeit is de noodzaak van publieksontwikkeling ook voor de commissie helder. Dado richt zich op een jong en daardoor snel wisselend publiek, dat naar de voorstellingen gaat via hun begeleiders of scholen. Daarom wil Dadodans structureel investeren in contacten met bemiddelaars, scholen en programmeurs. Een begeleidend plan voor de educatie en context bij de voorstellingen wordt daarbij van belang geacht, maar staat nog in de kinderschoenen.

Dadodans formuleert als einddoelen van de ontwikkeling op publieksbereik een betere zichtbaarheid van de organisatie, nieuw publiek en jeugddans profileren met lokale partners. De commissie acht dit logische en realistische einddoelen maar constateert dat uitwerking hiervan nog in een oriënterende fase is. Het ontbreekt nog aan een duidelijke onderbouwing van het te bewandelen traject hiervoor.

De aanvraag benoemt wel de instrumenten die Dadodans wil inzetten, maar geeft geen uitgebreide omschrijving van de wijze van toepassing daarvan. Dadodans wil meer uren inzetten voor algemene communicatie, de ANBI-status en een Google Grant aanvragen en een marktonderzoek uitvoeren om vast te stellen waar potentieel nieuw publiek te vinden is, werkbezoeken laten afleggen door de directie en allianties vormen met partners in Amsterdam. De commissie vindt dit vooral een opsomming van basale onderdelen van een mogelijke marketingstrategie, maar het is haar niet duidelijk welke stappen worden gezet om deze te laten bijdragen aan de beoogde ontwikkeling. Dadodans werkt niet goed uit hoe zij een potentieel nieuw publiek zal verleiden naar de voorstellingen te komen. De commissie acht de instrumenten weliswaar passend voor het einddoel, maar vindt niet overtuigend uitgewerkt dat ze daadwerkelijk zullen bijdragen aan het realiseren daarvan.

De gekozen coach op gebied van ontwikkeling van educatietrajecten acht de commissie logisch aansluiten bij het doel.

Bijdrage aan de veelzijdigheid van het cultuuraanbod in de stad

De bijdrage aan de veelzijdigheid van het Amsterdamse cultuuraanbod beoordeelt de commissie als voldoende.
De commissie constateert dat organisaties die hedendaagse dans brengen goed zijn vertegenwoordigd in het Kunstenplan. In vergelijking met deze andere organisaties onderscheidt Dadodans zich in het maken van dans voor een jonge doelgroep van 2 tot 8 jaar.

Conclusie

De commissie is positief over het merendeel van de aanvraag. Ze vindt de ontwikkelkosten voor de locatievoorstellingen die onderdeel uitmaken van de instrumenten voor de artistieke ontwikkeling echter niet overtuigend onderbouwd en beoordeelt deze daarom als niet subsidiabel. De commissie adviseert op basis van de beoordeling van de zakelijke kwaliteit voorts de ontwikkeluren voor het team niet volledig te honoreren. De kosten van dit instrument, die nog bovenop de ontwikkelkosten voor scholing komen, acht zij niet passend bij de omvang van de organisatie. Bovendien ontbreekt het in de aanvraag aan onderbouwing op dit punt.

Op grond van bovenstaande overwegingen adviseert de commissie de aanvraag van Dadodans gedeeltelijk te honoreren voor een bedrag van gemiddeld € 46.000 per jaar, waarvan € 36.000 per jaar voor de uitvoering van de ontwikkelactiviteiten en gemiddeld € 10.000 per jaar voor de reguliere activiteiten.

De aanvraag van Dadodans is beoordeeld binnen de adviescommissie Podiumkunsten & Letteren.